Filosofie

Redenaties: het gereedschap van de filosoof

Filosofie is een vreemde eend in de bijt in de wetenschappen: de antwoorden op de vragen kunnen over het algemeen niet met experimenten beantwoord worden. In plaats daarvan zijn filosofen gedwongen hun antwoorden puur via redenaties te vinden. Een goede filosoof is iemand die goed kan redeneren, dus is het belangrijk om te weten hoe redeneren werkt en wat een goede redenatie onderscheidt van een slechte. In dit artikel gaan we dieper in op de verschillende manieren van redeneren.

De basis en deductie
Wanneer een vraag beantwoord moet worden, is het natuurlijk van belang dat het antwoord (of de conclusie) waar is. Over het algemeen wordt zo’n conclusie onderbouwd door argumenten of premissen. Wanneer uit enkele premissen die waar zijn een conclusie wordt getr okken (die ook waar moet zijn omdat de premissen waar zijn), heet dit een syllogisme. Syllogismen zijn een vorm van deductief redeneren: uit stellingen die waar zijn volgt een conclusie die waar is. Veel syllogismen bestaan uit een major- en een minorpremisse, die samen leiden tot een conclusie. Een voorbeeld:

  • Majorpremisse: alle Nederlanders zijn sterfelijk.
  • Minorpremisse: ik ben een Nederlander.
  • Conclusie: ik ben sterfelijk
    Dit is een valide argument en de conclusie is waar. Er echter zijn gevallen van syllogismen die onwaar zijn, terwijl de premissen wel waar zijn, zoals u op deze website kunt lezen. Dit is een voorbeeld van een drogreden: een foute redenering. Dit laat zien dat er een verschil is tussen de validiteit en de waarheid van een redenering.

Inductie: het voorspellen van de toekomst
Bij deductie wordt aan de hand van enkele algemene regels een specifieke, bijzondere conclusie wordt getrokken (zoals in het vorige voorbeeld). Bij inductie zijn de gestelde premissen echter niet per se waar, maar heel erg waarschijnlijk. Stel dat er een park vol met konijnen is. Iemand die naar het park gaat en erachter komt dat elk konijn dat hij of zij ziet een bruine vacht heeft, komt tot de conclusie dat alle konijnen in het park een bruine vacht moeten hebben. Dit lijkt misschien aannemelijk, maar hoeft niet meteen waar te zijn: er kan een konijn over het hoofd gezien zijn, en misschien had dit konijn geen bruine vacht. Wie een niet-bruin konijn aan weet te treffen, kan zo de conclusie weerleggen (ook wel falsificeren genoemd). Inductie is dus gebaseerd op waarnemingen, en is een van de meest gebruikte redenaties bij de mensen, bijvoorbeeld wanneer men een bepaalde film wilt kijken omdat de vorige delen ook goede films waren.

Abductie: wat is waarschijnlijk?
Bij abductief redeneren wordt er niet zozeer gebruik gemaakt van premissen, maar wordt, voor een gegeven situatie, afgewogen wat de meest waarschijnlijke conclusie is. Wanneer twee mensen eten van dezelfde taart, en ze allebei ziek zijn de volgende dag, is het een aannemelijke conclusie dat de taart de oorzaak was van het ziek zijn. Dit hoeft echter helemaal niet het geval te zijn. Wat betrouwbaarheid betreft scoort abductie daarom lager dan zowel deductie als inductie. In sommige gebieden is abductie echter noodzakelijk, zoals de archeologie.